Buitenlessen

 

Bij lekker weer is het leuk om met je leerlingen naar buiten de gaan en van de zon te genieten.

Deze week een opdracht waarbij de leerlingen in tweetallen zelfstandig buiten het lokaal een wandeling kunnen maken.

Stel hier duidelijke afspraken bij vast.

Ieder tweetal krijgt een vraag mee om over te spreken. Voor ideeën, zie hieronder.

De leerlingen krijgen een half uur om samen tot een geschikt antwoord voor de vraag te komen.

Wanneer alle leerlingen terug zijn wordt aan een aantal tweetallen gevraagd welke vraag ze gekregen hebben en

wat hun antwoord is.

Bespreek eventueel ook hoe het dragen van de verantwoordelijkheid ging: welke leerlingen konden een half uur lang

een gesprek rond de opdracht voeren?

Uiteraard kan ook een ander onderwerp worden meegegeven om tijdens de wandeling over te spreken. 

 

  1. Hoe zou het zijn om te leven in de middeleeuwen?
  2. Wat zou je liever willen zijn; slim of wijs?
  3. Denk je wel eens zwart-wit?
  4. Waarom vinden volwassenen het ‘zo schattig’ wat kinderen zeggen?
  5. Is het mogelijk om niet te denken?
  6. Wat ben je liever; brutaal of braaf?
  7. Wat is tijd?
  8. Wat is oneindig? (Is het heelal oneindig? Of het aantal schelpen op een strand? Of verliefdheid?)
  9. Is een stoel vrij als niemand er op zit?
  10.  Wat is een persoon?
  11.  Als je vrij bent van school, huiswerk strafwerk, enz., ben je dan vrij?
  12.  Ben je uniek?
  13.  Waarom passen twee personen soms zo goed bij elkaar?
  14.  Waarom droom je?
  15.  Wat is vrijheid?
  16.  Weet jij wie je bent?
  17.  Vraag je wel eens iets aan jezelf?
  18.  Wat zegt de stem in je hoofd?
  19.  Is abortus iets slechts?

Buiten luisteren

 


Wanneer het lekker weer is, vragen leerlingen of ze naar buiten mogen. Geef ze eens ongelijk!

Met deze concentratieoefening kun je een uitstapje tegelijkertijd waardevol maken.

Zoek een plek waar de leerlingen in een kring kunnen zitten. Een schoolplein, een grasveld of gewoon wel lekker binnen.

De leerlingen doen hun ogen dicht en luisteren 1 of 2 minuten naar de geluiden om hen heen.  Leg een voorwerp in het midden van de kring voor leerlingen die hun ogen niet dicht willen doen: zo kunnen ze zich op een vast punt concentreren.

Bespreek wat de leerlingen gehoord hebben en leg uit dat dit een oefening is. Door het vaker te doen wordt je er beter in en lukt het om de ‘kleinere’ geluiden te horen: dus niet alleen de auto’s buiten maar het ademen van klasgenoten of het tikken van een horloge.

Na het bespreken kan ervoor gekozen worden om een nieuwe ronde te doen, zodat leerlingen hun eerste ‘prestatie’ kunnen verbeteren.

Als afsluiting kan aan de leerlingen gevraagd worden wie er snel was afgeleid en voor wie de oefening gemakkelijk was.